My library button
  • No image available

    Plant biostimulants are products that have a growth-promoting and/or stress-reducing effect on agricultural crops by improving the condition or resistance of the plant. This allows e.g. better absorption of nutrients, reduced susceptibility to abiotic stresses such as drought, and better plant defences against biotic stresses such as fungal or bacterial attack. Extracts from various seaweed species may have such a biostimulating effect. In this project, published literature on research into the biostimulative effects of various seaweed species on crops and various (probable) candidate substances in seaweed that cause this effect was reviewed. Greenhouse and field experiments were then carried out to examine the effects of seaweed products produced by the French company Olmix on tomatoes, onions and potatoes affected by the fungus Phytophthora infestans (the cause of e.g. potato blight). The biostimulant effect of a self-produced extract of the seaweed species Saccharina latissima was tested in a small additional trial. Saccharina is a seaweed species that occurs naturally in the North Sea and is currently one of the most commonly used species in commercial cultivation of seaweed in European waters. Olmix's commercial seaweed product (Seamel) is produced from green and red seaweeds harvested in the wild off the Atlantic coast of France. In addition to seaweed, full-formulation Seamel, which is designed for use in crop production, contains various micro- and macro-elements added to enhance the effect of the seaweed extract. Field and greenhouse experiments on potatoes and tomatoes affected by P. infestans confirmed the biostimulating effect of the seaweed product, with crops sprayed with Seamel suffering significantly less late blight infection. A dose effect in f.e. the pot trial in tomato in 2018 was also observed, with a higher Seamel dose giving a stronger reduction or delay in infection in field experiments on potatoes in 2019 and 2021. In field experiments on onions in 2018 and 2019, no effect on yield or storage quality was observed, possibly because there was little natural fungal pressure in those years. In 2020, no significant effect of Seamel application was found for potatoes, because of a very early severe infection early in the season with hardly product with to lees product applied. In a greenhouse experiment in 2021, tomato plants were sprayed with Seamel and then actively infected with Phytophthora. In addition to a treatment with the complete Seamel product (full formulation), there was also a treatment with Seamel without additives and with its own extract of S. latissima. The full-formulation Seamel product had a positive effect on the infected tomato plants, but the product without additives had no significant effect. Biochemical analyses indicated that the latter product was probably made from a different seaweed batch, which may partly explain the lack of effect. Thus further studies are needed on different doses of the additives, alone and in combination with the seaweed in the full-formulation Seamel product, using one seaweed batch for all treatments. The extract of S. latissima without additives also had no reducing or delaying effect on Phytophthora infection. However, this treatment was only included once in the experiments, so more research is needed to enable firm conclusions to be drawn about its biostimulant effect. Use of seaweed products with a biostimulant effect offers promising opportunities, e.g. in organic agriculture, but more research is needed to identify the active ingredient(s) and assure high quality, guaranteed function and stability of such products made from wild-harvested seaweed.

  • No image available

    Dit rapport kwantificeert mogelijkheden om de afhankelijkheid van soja-producten import voor veevoer (momenteel ongeveer 1800 kton/j sojaproducten per jaar, met daarin ongeveer 720kton eiwit) te verlagen, op basis van binnenlandse productie, met behoud van het huidige volume voedseleiwit productie. Veel ‘nieuwe bronnen’ worden als veelbelovend beschouwd voor verbetering van eiwitproductie. Met ‘verbeteren’ worden echter verschillende vormen bedoeld, zoals verhoging van voedingswaarde voor mens of dier, verbeteren van inzetbaarheid voor voeding of veevoer, ontwikkeling van een aantrekkelijk ‘niche’ product of verhoging van het bulk productiepotentieel. Voor de meeste opties is niet evident hoe groot de daadwerkelijke volume-potentie is, op welke termijn de ontwikkelingen opgeschaald kunnen zijn en welke technische ontwikkelstap en investeringen nog nodig zijn. Dit rapport geeft inzicht in die kwesties waardoor een realistisch perspectief op de mogelijkheden voor bulk productie ontstaat. In deze studie is naast de effecten van inzet van ‘nieuwe bronnen’ voor veevoer ook gekeken naar effecten op eiwitbehoefte als de (voornamelijk plantaardige) nieuwe eiwitbronnen direct worden ingezet voor voeding. Daarvoor hebben we gebruik gemaakt voor een omrekening van voedereiwitten naar voedseleiwitten: we schatten dat 1kg plantaardig voedseleiwit 5 kg veevoeder eiwit verdringt. De resultaten beschrijven primair de volume-potentie om afhankelijkheid van eiwitimport te beperken met instandhouding van totale productie voedingseiwit in Nederland. Hier en daar worden ook duurzaamheidseffecten genoemd en mogelijkheden en belemmeringen van 'nieuwe' eiwitbronnen en circulaire benutting van reststromen, maar die opsomming is niet compleet. De auteurs zijn zich ook bewust dat verschillende opties ook maatschappelijke aanpassingen vragen, maar ook die kwesties vallen buiten de scope van deze kwantitatieve studie. De potenties zijn kwantitatief ingeschat op basis van typische rendement-schattingen (volgens recente literatuur) en beschikbaarheid van biomassabronnen en productiemiddelen in Nederland (afgeleid van literatuur en percentages van landbouwarealen in Nederland). Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van en gefinancierd door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De resultaten worden samengevat in onderstaande tabel en de daaropvolgende constateringen en aanbevelingen.